Textbox Section

Deel dit bericht

 


Published


Preventie is een van de belangrijkste doelstellingen uit de Jeugdwet en tegelijkertijd een flinke opgave. Wij kunnen uw gemeente helpen om goed en diepgaand inzicht te krijgen in de vraagstukken rondom de doorontwikkeling van preventie. Met een ‘foto van uw preventieaanbod’ in de vorm van een op maat gemaakte rapportage bieden wij u inzicht in de staat van het preventief jeugdbeleid van uw gemeente. Wij ontwikkelden een conceptueel kader dat wij invulling geven door een combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek.

In de rapportage geven wij naast een analyse concrete handvatten om het preventief jeugdbeleid verder te ontwikkelen. Om het advies op maat te maken organiseren wij samen met u een of meerdere werksessies binnen uw gemeente en met betrokken partijen om uw ambities te vertalen naar gedeelde werkafspraken.

Kortom, we gaan van inzicht naar handelingsperspectief.Wilt u meer informatie of doorpraten over de ontwikkeling van uw preventieaanbod? Dan kunt u contact opnemen met Bianca den Outer of Tjisse Bosch via telefoonnummer (010 – 30 40 186) of via bianca@jblorenz.nl / tjisse@jblorenz.nl.

Preventie als doel

Een belangrijke doelstelling van de Jeugdwet is preventie: het voorkomen van problemen door zorg en ondersteuning op een andere manier te organiseren. Op dit moment werken gemeenten ruim 2 jaar met de Jeugdwet. We zien dat gemeenten sinds dit jaar investeren in de doorontwikkeling van preventie. Dat is begrijpelijk wanneer je meeneemt dat gemeenten direct na de decentralisaties alle tijd en energie nodig hadden om nieuwe primaire processen in te richten en de continuïteit van zorg te garanderen.

Tegelijkertijd zien we gemeenten puzzelen met die doorontwikkeling van preventie. De capaciteit binnen gemeenten en bij betrokken partijen is beperkt. Je wilt de inzet van mensen, expertise en middelen dus gericht inzetten. Maar hoe doe je dat? En op basis van welke informatie?

In oktober 2017 heeft jb Lorenz onderzoek gedaan naar preventie jeugdhulp in vier gemeenten. We concluderen dat de ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik momenteel niet verklaard kan worden uit de inzet van preventief jeugdhulpbeleid. Wel zien we grote verschillen tussen gemeenten op risicofactoren. Daar waar bepaalde kenmerken van jeugdigen, ouders en gezinnen samenkomen, zien we een hoger gebruik van jeugdhulp.

De onderzochte gemeenten investeren actief in preventie. De inzet op ‘bestaande taken’ is na de decentralisaties doorgezet, maar tegelijkertijd benadrukken gemeenten de noodzaak om het preventieaanbod verder en gerichter te ontwikkelen. Gemeenten ervaren meer capaciteit (in tijd en middelen) om te investeren en er is een toenemende politieke vraag, soms versterkt door financiële risico’s en tekorten. Daarmee is preventie staande praktijk, maar is er tegelijkertijd sprake van een dynamisch speelveld.

In nieuw beleid worden doelen verder geconcretiseerd. Gemeenten richten zich nadrukkelijk op doelgroepen en thema’s, het verbinden van preventie aan de transformatie jeugdhulp en op een meer integrale benadering van preventie jeugdhulp. Met inzet op specifieke thema’s of risicogroepen verwachten gemeenten het effect van preventie te kunnen vergroten en daarmee de inzet op zwaardere vormen van jeugdhulp te verminderen. Het gaat daarbij niet alleen om meer investeren (in financiële zin), maar om het anders inzetten van beschikbare uren en middelen. Het identificeren en prioriteren is echter een groot vraagstuk.

Wat wil je als gemeente eigenlijk weten?

Om de gerichte inzet van preventie te optimaliseren, geven gemeenten aan dat zij hun informatiepositie verder moeten ontwikkelen. De belangrijkste opgaven is het vaststellen van de informatiebehoefte: wat wil je als gemeente eigenlijk weten? Wat zijn relevante risicofactoren? Welke informatie kan je inzichtelijk maken en hoe kan je deze informatie ontsluiten?

Tot slot gaat het ontwikkelen van preventie over de kwaliteit van opdrachtgeverschap en de kwaliteit van samenwerking met en tussen betrokken partijen als scholen, de jeugdgezondheidszorg en verenigingen. Het kunnen organiseren van samenhang en het investeren in de kwaliteit van de toegang zijn cruciaal voor effectieve preventie.

Download het rapport van Rijksoverheid.nl


Meer informatie?

Wilt u meer informatie of doorpraten over de ontwikkeling van uw preventieaanbod? Bekijk dan onze aanpak voor een op maat gemaakte trendrapportage preventie jeugdhulp.

U kunt hier meer over lezen via deze link. Of neem contact op met Bianca den Outer of Tjisse Bosch via telefoonnummer (010 – 30 40 186) of via bianca@jblorenz.nl / tjisse@jblorenz.nl.


Published


Naast de huidige taken in de ambulante begeleiding binnen de Wmo, krijgen álle gemeenten per 2020 de verantwoordelijkheid over Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Specialistische zorgvormen die nu nog belegd zijn bij de centrumgemeenten.

De omvang en impact van Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen op zowel cliënten, zorgaanbieders als  gemeenten is groot.  Het betreft een kleine, zeer kwetsbare groep inwoners met zorgvragen op het vlak van geestelijke gezondheid, licht verstandelijke beperking in combinatie met ondersteuningsbehoefte op meerdere levensgebieden. In het bevorderen van zelfredzaamheid of  samenredzaamheid, maken deze mensen (wisselend) gebruik van ondersteuning en voorzieningen in de Wmo, zorg & welzijn, veiligheid, werk en inkomen en met betrekking tot wonen. Dat vraagt een tijdige voorbereiding van gemeenten en zorgaanbieders in de aanloop naar 2020.

Wat betekent deze decentralisatie met de transformatie opdracht voor gemeenten? Wanneer is er sprake van Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang? Hoe voorkomen we dat inwoners uitvallen?  Welke rol en verantwoordelijkheid krijgen toegangsmedewerkers en accountmanagers? Welke rol en verantwoordelijkheden hebben bestuurders en gemeenteraden? Met wie en op welke schaal moeten we samenwerken? Op welke gemeentelijke domeinen heeft deze opdracht (wederzijds) effect?  Wat betekent de regionale visie in de praktijk?

De complexiteit van Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang vragen om een tijdig voorbereidingsproces. Zowel op inzicht, inhoud, inrichting, kansen, uitdagingen en financiële effecten op korte en lange termijn.  Het gaat immers om de integrale inwonersverantwoordelijkheid van gemeenten voor zeer kwetsbare inwoners.

Wij kunnen uw gemeente helpen om goed en diepgaand inzicht te krijgen in de vraagstukken rondom de maatschappelijke opvang en beschermd wonen, in relatie met de vraagstukken rondom GGZ in de Wijk en de afstemming die nodig is met zorgverzekeraars en zorgkantoor. Hiertoe hebben wij een kennisatelier ontwikkeld in combinatie met een werkatelier. Door middel van het kennisatelier brengen we u in een dag(deel) op vlieghoogte met betrekking tot de doelgroep; inhoudelijk, organistatorisch maar ook met betrekking tot de financiele consequenties voor uw gemeente vanaf 2020. Na het volgen van het werkatelier heeft u een concreet actieplan aan de hand waarvan de beleidsontwikkeling ter hand genomen kan worden en gestart kan worden met de inrichting van de organisatie voor kwetsbare mensen met GGZ-problematiek.

jb Lorenz ontwikkelt duurzame oplossingen voor een beter maatschappelijk resultaat en een toekomstbestendige inrichting van het sociaal domein. Oplossingen voor individuele gemeenten en voor regio’s. Maar ook zorgaanbieders en zorgverzekeraars vragen steeds vaker ons advies.

Wilt u meer informatie of doorpraten over uw strategische positionering  en de toekomstgerichte inrichting van Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang in het sociaal domein? Dan kunt u contact opnemen met Bianca den Outer of Carla Wijngaarden via  telefoonnummer (010 – 30 40 186) of via bianca@jblorenz.nl / Carla@jblorenz.nl.

Achtergrond van de ontwikkelingen rondom Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang

Met de invoering van de Wmo2015 is de verantwoordelijkheid voor zorg en ondersteuning voor inwoners die Beschermd Wonen overgedragen aan centrumgemeenten. Het gaat hierbij om voorzieningen voor inwoners met een psychische aandoening en/of psychosociale problemen die door hun beperking gedurende een bepaalde periode niet zelfstandig kunnen wonen. Met Beschermd Wonen kunnen deze inwoners van gemeenten (tijdelijk) verblijven in een gecontroleerde en beschermde woonomgeving, waarbij de nadruk wordt gelegd op veiligheid, bescherming, stabilisatie en waar mogelijk herstel.

In opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een commissie onderzoek gedaan naar de toekomst van Beschermd Wonen, de zogeheten Commissie Dannenberg. In haar advies bepleit deze commissie de sociale inclusie van de doelgroep Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Inwoners van gemeenten die gebruik maken van deze voorzieningen zouden voor een goede kwaliteit van leven gediend zijn zoveel mogelijk in ‘gewone’ woningen en wijken te wonen. Met daar waar nodig begeleiding en ondersteuning die gericht is op herstel en deelname aan de samenleving. Met deze randvoorwaarden stelt de commissie dat minimaal één tot twee derde van de populatie Beschermd Wonen op termijn zou moeten kunnen door- en uitstromen.

De belangrijkste uitdaging de komende jaren is het omvormen van beschermde woonomgevingen die los staan van andere voorzieningen in de Wmo2015, tot een voorziening die past in en aansluit bij een keten van bredere en andere vormen van wonen met ondersteuning. We noemen dat de transformatie van Beschermd Wonen. Die andere vormen van ondersteuning zijn namelijk vanuit de Wmo2015 gericht op zelfredzaamheid en volwaardige deelname aan de samenleving voor alle inwoners van de gemeenten. Daarvoor worden steeds vaker individuele maatwerktrajecten ontwikkeld die tot doel hebben om cliënten waar mogelijk te laten doorstromen en uitstromen naar gevarieerde vormen van wonen met daarbij de passende zorg en ondersteuning wanneer dit nodig is.

 


Published


7 keer passender (be)sturen in het sociaal domein

Iedere keer dat een raadslid of Tweede Kamerlid vraagt om ‘grip’ op het sociale domein, zit er aan het einde van de dag weer een professional of burger vijftien minuten langer formulieren in te vullen. En ondanks al die administratie komen de tekorten en overschotten in het sociaal domein telkens volledig uit de lucht vallen. De mogelijkheden tot ingrijpen die gemeentebesturen vervolgens tot hun beschikking hebben, lijken zich te beperken tot twee mogelijkheden om te sturen op volume: de hoeveelheid geld of de hoeveelheid zorg. Dat kan en moet anders, en de komende begrotingsbehandelingen kunnen we daarmee starten.

De transformatie in het sociale domein is een van de grootste operaties die onze verzorgingsstaat gekend heeft. Vrijwel iedereen doet iets nieuws. Specialisten worden generalist. Gemeenten worden opdrachtgever van de jeugdzorg. Jeugdhulp-aanbieders moeten intensief met de gemeente samenwerken. Burgers moeten regie nemen en eigen kracht laten zien.

Schrijf je hier in voor de webinar

In de uitvoering begint dat vorm te krijgen. Maar de data- en informatievoorziening blijft achter. Veel gemeenten zullen voor 2018 opnieuw dezelfde criteria hanteren als die voor 2015. Binnen de kokers, top down, productie-indicatoren. Hoeveel gezinnen heeft het wijkteam geholpen? Hoeveel kinderen zijn er minder uit huis geplaatst?

De roep om meer grip op het sociaal domein is ondertussen begrijpelijk. Zeker voor raadsleden: het is hun taak om de gemeente te controleren. Maar wie op dezelfde manier naar het sociale domein kijkt als voor de decentralisaties, maakt zichzelf bewust blind. Het doel is: integraal werken, doen wat nodig is, maatwerk leveren, dichtbij de burger. Dat doel komt zelden naar voren als je kijkt naar ‘pre-decentralisatie-indicatoren’. Grip is in dat geval schijn.

Rijkdom aan mogelijkheden

Vorige maand publiceerde Binnenlands Bestuur samen met de NOS de resultaten van een enquête onder gemeenteraadsleden: wat zien zij als oplossing voor de tekorten in de jeugdzorg? De mogelijkheden waartussen raadsleden in deze enquête konden kiezen, doen geen recht aan de rijkdom aan mogelijkheden waarop de lokale volksvertegenwoordiging scherpere sturing en passender toezicht zouden kúnnen hebben op goede (besteding van publiek geld aan) jeugdzorg.

Wij pleiten voor begrip in plaats van grip.

Als de raad weet waar de raad naartoe wil, kunnen we toekomstgerichte en duurzame kaders, indicatoren en processen van verantwoording ontwikkelen. Immers, wie doet wat ‘ie deed, krijgt wat ‘ie kreeg: nog meer managementrapportages. Die uiteindelijk door bewoners en professionals gevuld moeten worden…
Wij maakten daarom, in allerijl, een alternatieve enquête, ter lering maar vooral ter inspiratie en met praktische handvatten om morgen nog aan de slag te gaan met leren. Zodat gemeenteraden en burgers begrip gaan krijgen voor wat er speelt in de jeugdzorg in plaats van grip erop. We legden alternatieve sturings- en toezichtmogelijkheden voor aan geënquêteerden.

Niet de uitkomsten, wel de vragen

Er reageerden 58 mensen, van wie we niet van allemaal konden vaststellen of het gemeenteraadsleden zijn. Je zou kunnen stellen: ook dit is niet echt een waardevolle enquête, want je kunt weinig met de uitkomsten. Wat ons betreft hoef je inderdaad ook niet veel te doen met de uitkomsten.

Wat we wel beogen, is dat gemeenteraadsleden iets gaan doen met de vragen uit de enquête, namelijk: dat zij de komende weken gaan inbrengen dat zij iets willen veranderen aan de sturing op het sociaal domein, en wat dan precies. Of dat nu gaat om het schrappen van ‘pre-decentralisatie- indicatoren’, het verbreden van budgetten, om het stellen van andere, betere doelen of het (anders) toezien op de uitvoering daarvan.
Want in de vragen uit de alternatieve enquete, geven wij mogelijkheden voor betere (be)sturing in het sociaal domein. We hopen dat gemeenteraadsleden deze in overweging nemen en zullen betrekken bij de komende begrotingsbehandelingen. Het gaat om:

1) Toeleggen op het maatschappelijke resultaat: veilig opgroeien van alle kinderen en daaraan prioriteit geven.

(was: Toeleggen op budget door geld over te hevelen uit andere posten)

Als er een tekort op jeugdzorg is, komt dat dan omdat het met de jeugd(zorg) niet goed gaat, of laat de gemeente het liggen op andere beleidsterreinen (van sport tot onderwijs, van huisvesting tot schuldhulpverlening) die rondom jeugd(zorg) liggen? En: volgt de begroting die integrale benadering? Veel tekorten zijn boekhoudkundig van aard en zijn opgelost als je voor bredere, integrale posten/potten kiest.

En een andere belangrijke vraag: stuurt de raad eigenlijk op preventie van jeugdzorg? En weet de raad dat?

2) De kwaliteit van samenwerking tussen zorgaanbieders onder de loep nemen.

(was: Het (tijdelijk) toestaan van oplopende wachtlijsten.)

Maak als gemeenteraad spelregels over overdracht en kinderen op de wachtlijst. Verplicht bijvoorbeeld warme overdracht: wachtlijsten zijn er op het moment dat de samenwerking niet goed gebeurt en er geen overdracht is tussen zorgaanbieders. Ook kan de gemeenteraad met uitvoerende professionals praten over overdracht en communicatie in de keten, en over het verschil tussen het belang van het kind en ‘het belang van de organisatie’.

De raad kan ook uitzoeken (bijvoorbeeld via de lokale rekenkamer) of de gemeente niet zelf ‘cliënten-concurrentie’ bestelt bij aanbieders. En ga niet op visitatie maar op visite! Informeer je als raad door cliëntenorganisatie en inwoners. Wees nieuwsgierig en dus open over wat je allemaal niet weet.

3) Beleid richten op zelfredzaamheid op alle leefgebieden (!)

(was: Het beleid versoberen)

Wanneer de raad ruimte maakt voor maatwerkvoorzieningen bínnen een integrale verordening ‘sociaal domein’, is de gemeente ‘beleid aan het versoberen’ zonder per se direct de de kwaliteit van de uitvoering te versoberen. En met een integrale verordening sociaal domein ziet de raad veel beter waar scherpe keuzes en prioritering nodig zijn. Immers: losse verordeningen en beleidsnota’s confronteren de volksvertegenwoordiger niet met de lastige keuzes tussen ‘kokers’ onderling – die uitvoerders wel degelijk merken.

Naast ontschotting en ruimte voor maatwerk, levert de integrale verordening dus als bonus op dat de raad gedwongen wordt om heldere keuzes te maken (en hier wordt het politiek!).

4) Het gesprek aangaan met doorverwijzers over alle mogelijkheden die er zijn voor hulp en ondersteuninge

(was: Het gesprek aangaan met doorverwijzers over financiële grenzen)

We zien dat er ingesleten paden van doorverwijzing zijn door verschillende beroepsgroepen. Slechts een klein deel van de verwijzingen in de jeugdhulp loopt via de gemeentelijke toegang. Medisch specialisten, huisartsen en jeugdartsen verwijzen veel jeugdigen door en zijn lang niet altijd op de hoogte van het enorme palet aan zorgfuncties dat beschikbaar is. Dus in plaats van te praten over beperkingen (financiële grenzen), zou de raad ervoor kunnen kiezen deze professionals te faciliteren en te ondersteunen bij het doorverwijzen van jeugdigen.

5) Een (permanente) uitstroom-stimulans voor de jeugdhulpverlening

(was: Een (tijdelijke) opnamestop voor de jeugdhulpverlening)

Voorop: een koude rilling liep ons over de rug van de oorspronkelijke optie. En daarom dus het betere alternatief: maak ruimte voor instroom door doorstroom te stimuleren en op uitstroom te sturen. En uitstroom betekent: instroom elders, of een eigen plek en bestaanszekerheid. Stuur als raad op prestatie-afspraken met zorginstellingen, woningcorporaties en scholen over ruimte maken voor uitstroom van kinderen uit de jeugdhulpverlening: zorg elders, op een opleiding, in een huis. En richt de geldstromen in op uitstroom (lees: zelfredzaamheid door bestaanszekerheid).

6) Meer regelruimte rond geld vanuit het Rijk

(was: Extra geld vanuit het Rijk)

De gemeenteraad kan bij het Rijk aankaarten welke Rijksbelemmeringen de lokale effectiviteit van besteding van zorggeld en andere geldstromen in de weg zitten. Dat betekent dat raden moeten weten welke dat zijn: ga of laat dat onderzoeken!

Een voorbeeld? De experimenten met ruimte in de bijstand. Jeugdwet en Wmo zijn gericht op ontwikkeling, terwijl Participatiewet die uitgangspunten niet heeft, maar werkt met beboeting en straf. Dat belemmert gemeenten om het leefgebied van werk en inkomen — basiszekerheid nummer 1 – van ouders en kinderen te betrekken bij de jeugdzorg. Geldstress van ouders, psychische klachten van kinderen en zorg voor die kinderen, kennen een samenhang die een gemeente zou moeten kunnen betrekken bij keuzes.
En soms beperken gemeenten ook zelf hun regelruimte. Zo wordt de kostendelersnorm die de bestaanszekerheid van veel kwetsbare mensen onder druk zet, door veel gemeenten strikt gehandhaafd. Maar de gemeenten hebben volledige beleidsvrijheid om de kostendelersnorm anders toe te passen. Laat als raad dus goed uitzoeken wat je zelf in de hand hebt.

7) En dan nog…

Van een aantal andere mogelijkheden voor het geven van passende sturing aan en houden van toezicht op de jeugdzorg, als gemeenteraad, is dit de volgorde van populariteit:

  1. met de raad een breed programma sociaal domein opzetten (met wonen, inkomen, schulden, zorg, jeugdzorg)
  2. met de raad bespreken en bepalen hoe we op outcome (gelukkige jongeren) sturen ipv output (aantal trajecten)
  3. brede doeluitkering breed inzetten om kinderen in de knel te helpen (ipv van de brede doeluitkering ex ante op te knippen in verschillende financieringsstromen)
  4. met de raad bespreken en bepalen hoe we kwalitatieve (stamt van kwaliteit) informatie van burgers krijgen in plaats van kwantitatieve informatie vragen van het college (en de ambtelijke organisatie)
  5. met de raad bespreken en bepalen wat we in 2025 willen bereiken voor jongeren
  6. met de raad bespreken en bepalen hoe we kunnen evalueren of de gemeentelijke organisatie transformeert
  7. met de raad bespreken welke “pre-decentralisatie”-indicatoren we nog hanteren, en wat daarvan het effect is

Sturen met indicatoren

Opvallend vonden wij de lage populariteit van het speuren naar ‘pre- decentralisatie-indicatoren’. Als er iets stuurt – al is het maar het verzamelen van gegevens erover – zijn het wel “de indicatoren”. En niets zo ingewikkeld als met iets stoppen. Deze optie mag van ons wel in de top 3 de komende tijd van begroten en (dus vaak ook) indicatoren bepalen.

Om een voorbeeld te noemen: we weten dat de combinatie jeugdzorg, volwassen GGZ en schulden de belangrijkste voorspeller is voor multiproblematiek en hoge maatschappelijke kosten. Vrijwel geen enkele
gemeente weet hoe vaak die combinatie voorkomt binnen de gemeentegrenzen. Hetzelfde geldt voor het aantal vechtscheidingen. Veel jongeren komen daardoor in de knel. Maar gemeenten houden nauwelijks bij hoe vaak het voor komt.

We wensen gemeenteraden, griffies, bestuurders en ambtenaren veel nieuwsgierigheid en creativiteit toe bij het vinden van passende sturing en interventies die de kwaliteit in het sociaal domein verbeteren. Om jullie op weg te helpen, hebben wij deze checklist gemaakt die gebruikt kan worden om morgen al aan de slag te gaan met meer begrip in plaats van grip.

Schrijf je hier in voor de webinar

Albert Jan Kruiter

aj@publiekewaarden.nl

@publiekewaarden

Bianca den Outer

bianca@jblorenz.nl

@biancadenouter

Marije van den Berg

marije@whiteboxing.nl

@marije