Published


Waarschuwing: deze blog bevat een politiek geladen beschouwing. Ieder vergelijk met de eigen leefomgeving berust op louter toeval en wordt, sorry dat ik dit zo stel, gelegd door de eigen associaties van de lezer[1].

April is de maand van de filosofie. Traditioneel wordt dit opgeluisterd door een essay over een specifiek thema. Dit jaar is het essay geschreven door Femke Halsema en draagt de titel ‘Macht en verbeelding’[2]. Na het lezen van het essay bleven er een aantal dingen in mij knagen. Ik wil jullie via dit blog deelgenoot maken van dit knagen. Waarom? Omdat ik hoop dat jullie, nadat je het blog gelezen hebt, mee willen denken in een oplossingsrichting. ‘Oplossingsrichting voor wat?’, hoor ik jullie denken. Niet zo snel, het probleem dient zich vanzelf aan.

Rode draad
Een rode draad door het essay is het standpunt dat de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, als meest progressieve periode in de Nederlandse recente geschiedenis, in een verdomhoekje van ons collectief geheugen is beland. Een periode waaraan overrijpe hippies met melancholie terugdenken, maar over het algemeen geen periode om trots aan terug te denken.

Halsema koppelt hieraan een tweede overtuiging, namelijk dat de typisch progressieve waarden van weleer – vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van man en vrouw en van hetero- en homoseksuelen – sinds de Pim Fortuyn-revolte passend gemaakt zijn om als conservatief en populistisch gedachtegoed uitgedragen te worden. Gevolg, het begrip progressief is uitgehold en verweesd achtergelaten.

Maar wat is ‘progressief’ nu eigenlijk? En welke betekenis kan zij hebben voor een samenleving? Halsema haalt in het essay de filosoof Rorty aan die progressie koppelt aan het begrip vooruitgang en stelt dat ‘[vooruitgang wordt] afgemeten aan de mate waarin we onszelf verbeteren en niet aan de mate waarin we een doel naderen’. Als gemeenschap en als leden van die gemeenschap verbeteren we onszelf als we ons – en met name de kwetsbaren onder ons – beter weten te vrijwaren van vernedering’. Voor Halsema impliceert dit dat progressiviteit geen politiek doel is maar een geestesgesteldheid, een onophoudelijk en hoopvol streven naar een rechtvaardiger, eerlijker en open samenleving[3].

Nog een rode draad
Een tweede rode draad door het essay gaat in op de manier waarop een natie – zoals Nederland – gevormd wordt. Nederland bestaat als natie sinds het ‘Congres van Wenen’ in 1814 en 1815[4]. Als een groep mensen in een natie samengebracht worden ontstaat er behoefte aan een gezamenlijke nationale identiteit. Om een dergelijke identiteit te bevorderen heb je een collectief verleden nodig, een aantal symbolen die de natie trots vertegenwoordigen en een beeld van een gezamenlijke toekomst.

Alle elementen – verleden symbolen en toekomst – zijn een verbeelding van hoe je met elkaar wilt zijn. Een nationale identiteit is dus een product van de verbeelding. Ze wordt geconstrueerd in gezamenlijke gekoesterde herinneringen en symbolen die voor de natie grote culturele betekenis hebben. Maarten Hajer, hoogleraar Urban Futures aan de universiteit van Utrecht stelt in zijn oratie in 2017 dat ‘het beheersen van de verbeelding van waarschijnlijk de hoogste vorm van machtsuitoefening is[5].

Verknopen
Als we beide rode draden met elkaar verknopen komen we richting de probleemstelling. Aan de ene kant hebben de verbeelding die nodig is om onze nationale identiteit vorm te geven. Voor die verbeelding is het van belang om symbolen te koesteren die grote culturele betekenis voor de natie hebben gehad. De progressieve beweging van de jaren 60 en 70 zou hier onderdeel van uit moeten maken, maar is dat niet. In zichzelf is dit al een hele interessante probleemstelling, maar het is niet waar mijn knagen over gaat; ik deel namelijk de mening dat we ons die periode sterker moeten herinneren en zouden moeten willen herbeleven.

Aan de andere kant heeft het begrip ‘progressief’ een nieuwe betekenis nodig, omdat de eerdere waarden ‘ver-conservatiseerd’ zijn. Die nieuwe betekenis kan gevonden worden in het samen op weg willen zijn naar een gemeenschap waarbij het ons lukt elkaar – en zeker de zwakkeren – beter te vrijwaren van vernedering.

Intermezzo
Ik stap even uit de tekst om er van een afstandje naar te kijken. In de vorige twee alinea’s heb ik twee keer het woord ‘willen’ gebruikt (leest u even mee terug). Het woordje ‘willen’ impliceert dat het een gedeelde overtuiging is of zelfs moet zijn. Zonder dat ik een oplossing geef, schetst dit misschien wel het kernprobleem van de huidige progressieve beweging: die spanning tussen voorgaan en uit de gemeenschap laten voortkomen.
Einde intermezzo

In die gemeenschap ligt een belangrijke rol voor het publieke domein. Hannah Arendt stelt in haar boek Vita activa (1958) dat het publieke domein de wereld moet zijn die ons ‘gemeenschappelijke thuis’ is; een veilig en geordend ontmoetingspunt waar mensen op voet van gelijkwaardigheid met elkaar omgaan.

In de voortjakkerende neo-liberale economie (“There is no alternative” predikte Thatcher al in de jaren 80 van de vorige eeuw) is het niet vreemd dat dit publieke domein steeds verder onder druk staat. In principe zouden onze publieke instellen de inwoners moeten beschermen tegen die neo-liberalisering en vervreemding die dat in de hand werkt.

Echter, we zien dat de sociale instellingen die de inwoners – en dan vooral de kwetsbaren – zouden moeten helpen, steeds meer bureaucratie, boetes en problemen produceren. Jesse Frederik schetste in 2017 in zijn Den Uyl-lezing een schikbeeld van onze moderne verzorgingsstaat, waar ‘je probleem een reden wordt om je uit te sluiten van een oplossing[6]. Aan de hand van praktijkvoorbeelden schetste Jesse heel beeldend hoe mensen in de schuldenindustrie vastlopen, waardoor problemen verergeren; niet ondanks maar dankzij het systeem.

De grote publieke instellingen van onze verzorgingsstaat – in zorg, volkshuisvesting en onderwijs – hebben een ratio gekregen van protocollen, afvink-lijsten en controle-op-controle. Ze grossieren in het vernederen van mensen! ‘In plaats van deel van het publieke domein is ze de lange arm geworden van een slecht functionerende controlestaat’, aldus Halsema[7]. Verzorgingsbureaucratie prevaleert boven het ideaal waartoe ze in het leven geroepen is. Ze ondermijnt ontmoeting op basis van gelijkwaardigheid. Sterker nog, ze ondermijnt de individuele waardigheid van hen die ondersteuning nodig hebben. Het publieke domein breekt zichzelf hierdoor steeds verder af.

Is dan alles kommer en kwel? Natuurlijk niet! Er zijn in de onderstroom ook veel positieve initiatieven. Er is wel degelijk een tegenbeweging die zich keert tegen de verlammende werking van de technocratie. Het grote probleem hierbij is dat er geen momentum is waarop deze initiatieven samenkomen en 1+1=3 met elkaar bereiken.

Anders dan in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw vormt zich rondom de vele initiatieven geen progressieve beweging die de initiatieven met elkaar verbindt en – politieke – kracht geeft. Dat is best gek. Terwijl we overlopen van de sociale media en met initiatieven als bijvoorbeeld #metoo kunnen laten zien dat er wel degelijk verschil gemaakt kan worden, blijft dit een beetje modderen in de onderstroom.

En dan nu de probleemstelling.
Wellicht zijn we een beetje van Zwolle, via Leeuwarden, in Utrecht aangekomen. Maar we zijn bij het punt waar de probleemstelling zich ontvouwt. Wat blijft er na het lezen van het essay nu toch steeds knagen? Dit knagen komt neer op de volgende vraagstelling / probleemstelling:

Hoe kunnen we in het publieke domein – en daarbinnen via het sociaal domein dat daar onderdeel van is – de vele initiatieven bundelen in een samenwerkende tegenbeweging? En hoe kunnen we de betekenis van ‘Progressief’ als ‘het verbeteren van de gemeenschap door elkaar beter te vrijwaren van vernedering’ hiervoor inzetten? Kortom: hoe vormen we een nieuwe progressieve beweging waarin we met elkaar omgaan op basis van ‘de menselijke maat’.

 

Noten

[1] De bij het blog gevoegde foto is van Cor Jaring en afkomstig uit het stadsarchief van Amsterdam

[2] Femke Halsema, ‘Macht en verbeelding’, Stichting Maand van de Filosofie, 2018

[3] als parafrase overgenomen uit Femke Halsema, ‘Macht en verbeelding’, Stichting Maand van de Filosofie, 2018, pag 15

[4] Wikipedia: Het Congres van Wenen werd na de val van Napoleon in 1814 en 1815 gehouden door de overwinnende mogendheden Pruisen, Oostenrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk met als doel de staatkundige herordening en institutionele reconstructie van Europa.

[5] als parafrase overgenomen uit Femke Halsema, ‘Macht en verbeelding’, Stichting Maand van de Filosofie, 2018, pag 23

[6] als parafrase overgenomen uit Femke Halsema, ‘Macht en verbeelding’, Stichting Maand van de Filosofie, 2018, pag 47

[7] als parafrase overgenomen uit Femke Halsema, ‘Macht en verbeelding’, Stichting Maand van de Filosofie, 2018, pag 48