Published


 

Een aantal weken geleden heb ik het eerste deel uit de blokreeks ‘Vertrouwen vertrouwen’ op LinkedIn gezet. Aanleiding voor het starten van deze reeks was een artikel op de site van het VNG Magazine met als titel “Gun gemeenten ruimte en vertrouwen”. Ik sloeg aan op het woord ‘vertrouwen’. Dat kwam mede omdat het woord ‘Vertrouwen’ de laatste maanden te pas en te onpas opduikt in artikelen over het sociaal domein. In het eerst blog ben ik ingegaan op de zienswijze die filosoof Onora O’Neill op het thema ‘vertrouwen’ heeft. Dat blog koppelt het begrip ‘Vertrouwen’ aan het begrip ‘Betrouwbaarheid’.

Vertrouwen en Betrouwbaarheid

In dit tweede blog uit de reeks diep ik de relatie tussen de begrippen ‘vertrouwen’ en ‘betrouwbaarheid, verder uit. Ik doe dat vanuit het perspectief van de gemeente; vanuit de verantwoordelijkheid die de gemeente binnen het speelveld van het Sociaal Domein heeft.

Uit de redenering van O’Neill komt – kort door de bocht – naar voren dat ‘vertrouwen’ iets is wat je geeft als aan jou is aangetoond dat de ander (aan wie je dat vertrouwen geeft) aangetoond heeft betrouwbaar te zijn. De kwestie vertrouwen is dus een kwestie tussen twee subjecten; twee personen, twee organisaties, een persoon en een organisatie, maar ieder geval tussen twee en niet onder velen.

Nu even terug naar de titel van het artikel van de VNG: “Gun gemeenten ruimte en vertrouwen”.

Allereerst komt bij mij de vraag naar boven wie het vertrouwen nu eigenlijk aan de gemeente moet gunnen? De Tweede Kamer? De inwoners van de gemeenten? De aanbieders van de zorg?

Uit de informatie uit het artikel (rapportage aan de Tweede Kamer (TK)) leid ik af dat de TK om vertrouwen gevraagd wordt. De kop van het artikel maakt het verzoek om vertrouwen heel algemeen, zodat iedereen dit naar lieve lust op zichzelf of op anderen kan betrekken; ‘de vertrouwen-gunners’.

Op basis van de zienswijze van O’Neill ligt de bal bij de partij die het vertrouwen gegund wil krijgen. In deze situatie zijn dat dus de gemeenten. Gemeenten moeten derhalve aantonen betrouwbaar te zijn. Dit zou voor gemeenten geen enkel probleem moeten zijn.

Gemeenten worden sinds jaar en dag door de samenleving gezien als instituten die op strikte wijze verordeningen en regels toepassen, strak toezien op de handhaving daarvan, de handhaving vervolgens ook weer minutieus controleren en zo de waakhond zijn van rechtmatigheid, waar accountantskantoren hen dan weer op controleren, enzovoort ‘und-so-weiter’.

Gemeenten doen hun werk tenslotte met geld van de gemeenschap, geld ingelegd door ons allemaal en daar moet je zorgvuldig en verantwoord mee om gaan. En in die rol zijn ze heel betrouwbaar. Er staat niemand iets in de weg om gemeenten hierop hun vertrouwen te gunnen.

Dus, waarom dan die oproep voor het gunnen van vertrouwen? Ik zie hier een paradox groeien. Gemeenten ontlenen hun betrouwbaarheid aan een werkwijze die gekenmerkt wordt door verordeningen, regels en controlemechanismen die in de loop van de recente tijd het predicaat ‘bureaucratie’ hebben gekregen; een abstract woord voor ‘meerdere keren veel uitgebreide formulieren invullen om naar elkaar te verantwoorden dat we rechtmatig bezig zijn’.

Gemeenten hebben nog steeds (of zelfs steeds meer) het aureool van de ‘Hoeders van de paarse krokodil[1]’. Dat imago doet echter geen recht aan de dienende houding en inzet van de werknemers van de gemeente (als categorie werknemers ‘ambtenaren’ genoemd), die juist willen dat het gemeenschapsgeld niet verkwist, maar goed besteed wordt.

In hun werk hebben ze (de werknemers van de gemeente) zich echter steeds meer moeten laten gijzelen in het strikt toepassen van de principes onder het tot doel verheven beginsel van Rechtmatigheid. En wij, samenleving hebben daar naar harte lust aan mee gedaan en het zelfs versterkt. Controle, controle, controle. Wellicht heeft het streven naar ‘transparantie’ (in de afgelopen jaren ook een modewoord bij uitstek) hier ook een versterkende werking in gehad.

Om transparant te zijn, moet je immers kunnen aantonen wat je gedaan hebt en je kunnen verantwoorden. Daartoe heb je onderliggend materiaal nodig (onderleggers), maar die ontstaan niet vanzelf. Die onderleggers ontstaan pas na noeste arbeid van velen die over hun deel in het proces verantwoording afleggen, steeds fijnmaziger, steeds op kleinere delen binnen het proces. Zo heeft ook transparantie een effect tot gevolg dat ze juist wilde voorkomen.

Even terug. Gemeenten zijn dus heel betrouwbaar in hun rol als hoeder en handhaver en hebben een minutieus stelsel ingericht om de toets op Rechtmatigheid te doorstaan (op straffe van geen accountsverklaring). Dit stelsel, het stelsel waar de gemeente juist zo goed in is, is echter niet langer meer de voorwaarde voor het gunnen van vertrouwen. Het is juist omgekeerd. Het vertrouwen wordt niet gegund, juist omdat dit stelsel op deze manier functioneert.

Dit stelsel, deze werkwijze, is in de afgelopen jaren onderdeel geworden van de identiteit van de werknemer van de gemeente. Het is in zijn en haar vlees en botten verankert als de manier om de samenleving te dienen; hoeder van de rechtmatigheid van de gemeenschapsgelden!

Het lijkt inderdaad dat zich hier een paradox ontvouwt: De werkwijze die nodig is om de betrouwbaarheid aan te tonen om het vertrouwen gegund te krijgen, leidt tot het verminderen van dat gunnen van vertrouwen.

Het zou zo maar kunnen zijn dat de principes van Rechtmatigheid en Transparantie (en de machtspositie die deze begrippen inmiddels zich verworven hebben) hier de bepalende factor is. In het discours van het vertrouwen hebben we een nieuw beginsel nodig waarop de gemeente zijn betrouwbaarheid kan aantonen. Een nieuw beginsel onder de rol van de gemeente naar de lokale samenleving; niet als hoeder van Rechtmatigheid, niet de maximale Transparantie, maar als…….

Wie heeft er suggesties?

[1] Het begrip ‘paarse krokodil’ is ontleend aan een reclamefilmpje waarin een moeder in een zwembad de opblaasbare krokodil van haar dochter terug wil hebben. Die opblaasbare paarse krokodil staat achter de man van het loket, maar hij wil hem pas geven als de vrouw eerst een schriftelijk verzoek volgens de daarvoor bestemde formulieren heeft ingediend’.